Hoe kun je mediawijsheid integreren in het onderwijs?

Mijn vak mediawijsheid, het actief en bewust meedoen aan de mediasamenleving, is een breed begrip waar je veel kanten mee uit kunt in het onderwijs.

Grofweg bestaat het uit twee componenten: het kunnen gebruiken van allerlei digitale middelen en weten welke waarvoor geschikt is, en het kritisch kunnen reflecteren op de aanwezigheid van media in ons leven.

Volgers en vrienden

polonaisende mannenIn de praktijk lopen deze twee vaak door elkaar heen. Je kunt leerlingen pas goed laten nadenken, over bijvoorbeeld de ‘vriendensuggesties’ van Facebook of de “Who to follow” van Twitter, als ze daar eerst een profiel hebben aangemaakt. En je kunt leerlingen beter leren Googlen als ze eerst weten hoe deze zoekmachine werkt.

Apart vak?

Er is onder mediawijsheidprofessionals nogal wat discussie gaande over of je mediawijsheid als apart vak zou moeten geven, of geïntegreerd in alle andere. De KNAW adviseert scholen een nieuw apart vak in te voeren: ‘Informatie & communicatie’. Anderen zijn van mening dat mediawijsheid geïntegreerd moet zijn in alle vakken en veel scholen hebben ook het geld en de ruimte niet om het als nieuw vak in het curriculum op te nemen.

Ik ben van mening, juist omdat je er zoveel kanten mee op kunt, dat mediawijsheid heel goed in alle bestaande vakken en lessen kan worden opgenomen. Daarbij vraagt het andere vaardigheden van de docenten, andere didactische werkvormen dan de traditionele les en heeft het andere randvoorwaarden, zoals beschikbaar internet.

Als docent moet je nadenken over zaken als: wat is er aan middelen aanwezig in het lokaal, zal ik de leerlingen van tevoren opdrachten meegeven die ze online kunnen uploaden, met welke tools gaan we werken en waarom, gaan we daarmee de openbaarheid in of juist niet, hoe kunnen we samenwerken en elkaar van feed back voorzien, enzovoorts.

Kortom: een heel andere aanpak dan de traditionele, klassikale les, die andere competenties en manieren van leren bij leerlingen aanboort. Als je hier toch al mee aan de slag gaat, dan kun je dat beter gelijk voor alle lessen doen.

Whatsappjes

Bij de mentoruren kun je dan de leervaardigheden bij de leerlingen te verbeteren via social media en de leerlingen bijbrengen hoe ze de aandacht vragende whatsappjes e.d. de baas kunnen blijven.

Tijdens vakken als maatschappijleer kan de inhoudelijke kennis over internet bij de leerlingen worden verbeterd. Zodat ze bijvoorbeeld snappen dat Facebook via die ‘vriendensuggesties’ z’n geld verdient. Waardoor ze beter leren nadenken over zaken als het al dan niet ‘weggeven’ van persoonlijke gegevens.

Meer weten? Neem contact met mij op voor een vrijblijvend advies!

Met visie, strategie en lef mediawijs worden

Als mediacoach komt een enorme hoeveelheid informatie en vragen op je af.

Je bent eigenlijk nooit uitgedacht over mediawijsheid en dat maakt het ook zo leuk (en moeilijk ook soms). Ik heb gastlessen gegeven aan 7 en aan 27 jarigen, presentaties aan ouders, docenten, jeugdwerkers. Verdiep mij al langere tijd in jongeren en hun internetgedrag, social media en didactiek. En nog weet ik niet genoeg.

Ook scholen en ouders worstelen nog steeds met hun visie, vraagstukken en grenzen.

iPadschool

Zoals: moet mijn kind naar een iPadschool? Dit genuanceerde stuk geeft daar ook geen eenduidig antwoord op. Je weet gewoon niet zeker of je er als ouder goed aan doet, omdat de scholen zelf ook nog van alles moeten uitvinden. Hoe ze bepaalde zaken gaan meten bijvoorbeeld, en hoe ze het didactisch gaan aanpakken.

SuperwomanSprong

Het is dus een sprong in het diepe eigenlijk. Maar wel een met kansen voor het kind op mediawijsheid- en 21st Century skills ontwikkeling en innovatief onderwijs. Veel andere scholen zijn nog lang niet zo ver. Zoals ik al eerder schreef besteden ze er wel aandacht aan, maar lang niet altijd effectief of structureel. Zo’n Steve Jobsschool doet dat wel (neem ik toch aan).

Eigenlijk komt het steeds weer neer op hetzelfde: het hebben van een visie en vervolgens een strategie. En lef. Of je nu een school of een kind hebt op te voeden.

Anders blijft de tablet, de apps en het digibord maar een dingetje voor d’r bij. De sociale media een foute kroeg. En Google een alwetende god die voor ons beslist.

 

Toetsen en meten van mediawijsheid

Hoewel de noodzaak door iedereen inmiddels wel wordt erkend, is mediawijsheid bij de meeste scholen niet ingebed in het curriculum.

Meten van mediawijsheidEr wordt bijvoorbeeld wel een project aan cyberpesten gewijd, een (gast)les gegeven over social media of online imago en de mediathecaris vertelt wat over zoeken op het internet, maar dat is het vaak wel.

Theoretisch kader

De Onderwijsinspectie toetst er niet op, en onderzoek naar mediawijsheidvaardigheden bij leerlingen is pas nu zo’n beetje op gang. Als gevolg hiervan weten scholen eigenlijk nog steeds niet wat het niveau is van mediawijsheid bij hun leerlingen, hoe je dat zou moeten verbeteren en tot welke hoogte dan.

Zonder theoretisch kader voor toetsing en het ontwikkelen van een doorlopende leerlijn, is het lastig effectief les te geven in mediawijsheid. Hoeveel iPads je op school ook hebt.

Hoe mediawijs zijn de leerlingen?

Hiermee heb ik mijn praktijk als mediacoach uiteraard ook mee te maken. Als ik in een klas kom voor een gastles, heb ik geen compleet beeld van de uitgangssituatie. Hebben ze allemaal smartphones, of überhaupt internet thuis? Zoja, wat doen ze daar dan precies mee? Denken ze na over wat ze op social media doen? Hoe is het gesteld met hun zoekvaardigheden? Hoe gaan ze om met cyberpesten? En met het scheiden van nep/waar nuttig/onzin enzovoorts op internet?

Kortom: hoe is het gesteld met hun mediawijsheidcompetenties?

Omdat er op school geen structurele aandacht aan wordt besteed, en de ene leerling wel een oudere broer of zus of mediawijze ouders heeft die het ze allemaal uitlegt en de ander niet, zijn de verschillen tussen de leerlingen groot.

Beginsituatie bepalen

Ik probeer voor mijn les uit te vinden hoe de leerlingen ervoor staan door ze een korte enquête vooraf af te nemen, en de school en docenten te ondervragen. En uiteraard hou ik mezelf op de hoogte over de algemene stand van zaken over jongeren en internet vanuit de theorie, dat wil zeggen alles wat ik online kan vinden aan nieuws en onderzoek.

Vandaar uit bepaal ik wat ik de leerlingen zou willen leren. Dit heeft meestal te maken met reflectie op hun online gedrag. In de hoop dat ze dit gaan toepassen in diverse situaties. Of dat dan ook gebeurt is bij een op zichzelf staande gastles niet goed na te gaan.

Competentiemodel

Gelukkig zijn er inmiddels wel handvatten te vinden die scholen en mediacoaches kunnen gebruiken, zoals het mediawijsheidcompetentiemodel van Mediawijzer.net, waarin  verschillende niveaus zijn opgenomen. Hoe je dit dan vervolgens zou moeten meten en toetsen is (nog steeds) vers twee.

Mediawijzer gaat daarmee aan de slag voor het basisonderwijs. En ik ben bezig met een toets en methodiek voor het voortgezet onderwijs. Wil je met mij meedenken? Ik hoor ik het graag!

Niet minder, maar slimmer het internet gebruiken

Veelvuldig gebruik van internet zou onze hersenen ‘ondiep’ maken, onze aandachtsspanne verkorten en ons gestrest, narcistisch en dommer doen worden. Dit soort onderzoeken en artikelen over ons internet- en social-mediagebruik verschijnen nog steeds met enige regelmaat.

Op 2 april was Howard Rheingold in het land, auteur van onder andere het boek Net Smart. Zijn idee is dat er misschien wel wat waar is van de beweringen van bovengenoemde zwartkijkers, maar dat dat niet ligt aan internet, smartphones en social media an sich, maar aan onszelf.

Nerd brilDe oplossing ligt niet in het dan maar minder gebruiken, maar in het slimmer leren gebruiken.

Ik had eigenlijk geen kritische vraag voor Rheingold, omdat ik het gewoon helemaal met hem eens ben. Zijn inspirerende boek beschrijft grotendeels de thema’s waar ik als mediacoach met betrekking tot mediawijsheid mee bezig ben.

Mediawijsheid

‘Reflecteren op het eigen mediagebruik, om op basis daarvan weloverwogen keuzes te kunnen maken om het eigen media-handelen te optimaliseren’.

Dit is een van de tien mediawijsheidcompetenties opgesteld door Mediawijzer.net, het expertisecentrum over mediawijsheid. Het is de vaardigheid waar ik me het meeste mee bezighoud, bij kinderen en volwassenen.

Met Rheingold gecombineerd vertaalt zich dit in:

  • Slim meedoen op internet

    (Rheingold: ‘participatory media’)

Dit varieert van iets kleins als een like op een Facebookpagina tot bloggen, het selecteren van informatie voor anderen (‘curation’), je mening geven via Twitter, meediscussiëren op LinkedIn, nieuwe contacten maken. Je leert hoe je jezelf het beste kunt uitdrukken tegenover je publiek (hier valt ook nettiquette onder) en bedenkt hoe je met je content meerwaarde voor hen kunt creëren. Zo kun je mensen op een andere manier naar dingen laten kijken en kun je bijdragen aan veranderingen. Met het slim neerzetten van je online identiteit creëer je mogelijkheden voor jezelf bijvoorbeeld op het gebied van werk of studie.

  • Slim informatie gebruiken

    (Rheingold: ‘crap detection’)

Een continue stroom aan content trekt op het web aan ons voorbij. Omdat poortwachters als eindredacteuren hier ontbreken, en om niet teveel tijd kwijt te raken aan onbenulligheden, is het erg belangrijk deze informatie te kunnen shiften. Goede zoekvaardigheden en bewust worden van de bedoelingen van contentmakers (de kleur van krantenmakers, het verdienmodel van Facebook en Nu.nl) horen hier ook bij. Hoe kun je onderscheid maken tussen echt en nep, nuttig en onzin?
Hierbij wat tips.

  • Slim je aandacht gebruiken

    (Rheingold: ‘mindfulness’)

Door meerdere auteurs en onderzoekers is beargumenteerd dat al die afleiding door onze smartphones, het multitasken (oftwel switchen tussen tv en mobiel, Facebook en huiswerk) en de angst iets te missen online niet goed voor ons zijn.

Enkele tips:

  • Breng structuur aan in het social-mediagebruik (bepaal wanneer en hoelang, en wanneer niet).
  • Leer kinderen hun social-mediabehoeften uit te stellen tot bepaalde momenten.
  • Deel concentratie-vragende zaken op in blokken van 25 minuten (zie ook Focus! van Pardoen).
  • Laat kinderen ‘s nachts geen mobieltjes meenemen naar de slaapkamer.
  • Stimuleer doelgericht social-mediagebruik, zoals elkaar via een Facebookgroep helpen met huiswerk.
  • Stimuleer het dieper denken.
  • Organiseer de informatie, bijvoorbeeld door het aanmaken van lists op Twitter, notes op Evernote, mapjes in de mail.
  • Neem af en toe een internet time-out.
  • Zet push-berichten uit.
  • Slim gebruik maken van collectieve kracht

(Rheingold: ‘online collaboration’)

Co-creatie, crowd sourcing, crowd funding laten zien hoe goed het kan werken om via internet samen ideeën te ontwikkelen (‘collective intelligence’) en deze ergens voor in te zetten.
Hiervoor moet je onder andere mensen om je heen verzamelen die verschillende meningen en vaardigheden hebben, moet je zelf uiteraard een visie hebben, en een geschikt platform.
Een voorbeeld voor op school is bijvoorbeeld Sociaal met media.

En wat zou dat ons allemaal kunnen opleveren?

Bijvoorbeeld een jongen als deze. Hij maakte op zijn vijftiende een betaalbare test voor alvleesklierkanker. De kennis hierover deed hij hoofdzakelijk op via internet. “Je kunt de wereld veranderen met internet!” vindt hij. En dat vind ik ook.

En wie weet, is het over een paar jaar wel helemaal sociaal geaccepteerd dat we tijdens een gesprek ondertussen ook online met iemand aan het kletsen zijn op onze smartphones. Onze activiteiten veranderen, en daarmee onze hersenen ook.

Oftewel:

Cyberpesten anders aanpakken

Naomi zit in klas 2 van de havo en wordt gecyberpest.

Ze wordt geblockt van Whatsapp-groepjes, ontvangt nare berichtjes via de chat en er worden bewerkte foto’s en filmpjes van haar op internet gezet. Medescholieren weigeren haar vriendschapsverzoek op Facebook en ze krijgt er maar heel weinig van anderen.

Pesten via internet

Internet en social media bieden pesters en meelopers makkelijke manieren om haar het leven zuur te maken:

  • Vervelende berichten zijn snel gemaakt en verspreid.
  • Er is 24/7 mogelijkheid tot contact.
  • Je kunt anderen anoniem lastig vallen en ook makkelijk buitensluiten.
  • Omdat online de bedoelingen lastiger zijn te zien, is het risico op misverstanden groot (‘het was maar een geintje’).
  • Het is voor de pester makkelijk om harder tekeer te gaan, omdat het effect op het slachtoffer niet is te zien.
  • Verder verspreiden roddels en dergelijke zich via internet razendsnel, waardoor iets in no-time kan escaleren.

Naomi’s ouders weten van niets en hebben dus ook niet bij de school aan de bel getrokken. Jongeren schamen zich vaak voor cyberpesten en hebben niet het idee dat opvoeders hier iets aan (kunnen) doen. De signalering van cyberpesten is voor (professionele) opvoeders al met al lastig.

Gepesten en pesters

Volgens de gangbare opvatting zijn gepeste kinderen vaak een beetje anders waardoor ze niet voldoen aan de ongeschreven groepsnorm. Vooral voor pubers is de peergroup juist van groot belang. Je kunt er oefenen met sociale vaardigheden, rollen uitproberen, je standpunt bepalen, je zelfvertrouwen en eigenwaarde versterken. Hoor je er niet bij, dan voel je je onzichtbaar, alsof je sociaal niet bestaat.

Vaak zijn gepeste kinderen van zichzelf al minder weerbaar. Ze reageren emotioneel op ‘geintjes’, wat pesters motiveert ermee door te gaan, want het versterkt hun macht. Door het structureel straffen, buitensluiten, treiteren en bedreigen van anderen verwerven pesters invloed in de groep.

Omstanders

De ‘omstanders’, dat wil zeggen de groepsleden die zelf niet pesten maar de pester(s) niet tegenhouden, hebben zich geconformeerd aan de groep. Dit vanuit de behoefte om eigen onzekerheid te reduceren en om door de groep geaccepteerd te worden. Verder voelen mensen zich minder persoonlijk verantwoordelijk als ze deel uit maken van een groep.

Deze twee mechanismen zorgen ervoor dat omstanders niet zo gauw uit hun rol stappen en tegen de pester in het verweer komen. Bovendien zouden ze zelf dan wel eens het haasje kunnen zijn.

Plan van Aanpak

De pestprotocollen en aanpakken van scholen zijn doorgaans nogal abstract, bestaan vooral uit gesprekken en zijn gericht op offline pesten. Zie bijvoorbeeld de KiVa methode en de Vijfsporenaanpak.

Digitaal pesten vergt een andere aanpak dan irl pesten. Het onderscheid plagen en pesten is online nog lastiger te maken. En de rollen van de omstanders, pester en gepeste, de tactieken en mogelijkheden voor de drie partijen, en hoe je dit als ouder/school/docent signaleert en aanpakt, verschilt.

Meer inzicht of een plan van aanpak met begeleiding nodig met betrekking tot cyberpesten? Neem contact met mij op!

 

Internetopvoeding: grenzen stellen

Gisteren ben ik uren achter de laptop bezig geweest om mijn vakantie naar Griekenland alvast voor te bereiden.

Als je geen kant-en-klare reis wilt, wel een beetje normale prijzen en wat verschillende dingen wilt doen ben je daar wel even mee bezig. Maar ik vond het vooral heerlijk me onder te dompelen in die virtuele wereld van hagelwitte huisjes met knalblauwe kozijnen, inktvissen aan de waslijn, kleine oude vrouwtjes in het zwart in smalle straatjes, zon en zee, terrasjes met café frappé, de verlichte Acropolis en noemt u maar op.

BeeldschermtijdDat ondergedompeld zijn in een andere wereld is geweldig. Maar voor andere dingen heb je dan weinig oog. Dat hoeft ook niet altijd, tenzij het asociaal, onverantwoord en ongezond gaat worden natuurlijk. Dan moet er worden ingegrepen.

Hoe lang?

Ouders vragen mij geregeld hoe lang hun kind op internet mag. Ik verwijs ze dan naar Mediaopvoeding, waar een richtlijn voor het aantal uur beeldschermtijd per leeftijd staat.

Sommige ouders worden daar weer onzeker van, omdat hun kind inmiddels al veel langer achter de laptop zit. En als ze op school ook nog computeren en/of ze een smartphone hebben wordt het helemaal lastig te controleren.

Waarom?

Bij het stellen van internet-grenzen is het als ouder handig als je weet waarom je die stelt. Je kind zal zich er dan ook eerder aan houden, omdat ‘ie het begrijpt. Idealiter zou dat van kleuter af aan al moeten gebeuren. Als een kind tot de puberteit vogelvrij is geweest op het web, in wat hij daar doet en hoe lang, wordt het heel lastig daar dan nog paal en perk aan te stellen.

Eigenlijk draait het allemaal om de vraag:

Gaat het ten koste van iets anders? En: is dat erg?

Om het nog helderder te krijgen zou de ouder zich de volgende vragen kunnen stellen:

  • Is het asociaal? Vind ik het ten koste gaan van de gezelligheid in huis, de omgang IRL met vriendjes en familie, de zorg voor huisdieren?
  • Is het onverantwoord? Gaat het ten koste van schoolprestaties? De veiligheid (Facebooken op de fiets)? Andere vaardigheden die belangrijk zijn?
  • Is het ongezond? Beweegt hij nauwelijks meer? Krijgt ‘ie nauwelijks vitamine D? Gebruikt je kind z’n hersens niet meer op verschillende manieren? Gaat het ten koste van andere lichamelijke behoeften? Zoals eten, op tijd naar de w.c. gaan, zintuiglijke ontwikkeling? Krijgt hij een muisarm of onderkin?

Zoja, dan wordt het tijd om in te grijpen. Je kind zal daar niet altijd leuk op reageren. Het is vervelend om uit je onderdompeling gehaald te worden. Zoals sommigen van ons vroeger van hun boekplaneet werden gerukt omdat er van moeders weer zo nodig gegeten moest worden. Wat een brute verstoring!

Maar het moest. Anders hadden we hier nu misschien niet gezeten. Urenlang achter de computer.

Docent, laat social media voor je werken!

Ruim 3 jaar zit ik nu op Twitter. Het was destijds de laatste in de rij van de social media die ik gebruikte. Facebook kwam ver daarvoor. En MySpace, Hyves, LinkedIn… enz.

megafoon soial mediaFacebook maakte voor mij toen gewoon more sense. Je had je vriendenclubje waar je iets tegen zei en andersom. Hyves kon je leuk customizen en was heel gebruiksvriendelijk. MySpace was erg leuk als je een bandje managede (zoals ik) en vooral foto’s van repetities en muziek erop wilde zetten.

Maar Twitter was voor mij een soort roepen in de woestijn. Hoorde iemand mij eigenlijk wel? En wie dan? Ik kreeg geen reactie op mijn tweets en vond er weinig aan. Waar ga je het over hebben als je niet weet wie er naar je luistert?

Mediawijsheid

Dit veranderde pas toen ik mij met mediawijsheid ging bezighouden en dus op Twitter een doel had gevonden. Nu is Twitter voor mij het belangrijkste kanaal geworden. Facebook is vaak de gezelligste, maar uit Twitter haal ik het meest qua contacten en informatie.

Ik sprak laatst een docent in wiens klas ik een mediawijsheidles gaf. Hij was zelf ook actief op Facebook verzekerde hij mij, en was vrienden met sommige leerlingen. Waar hij het dan op Facebook met ze over had? Gewoon wat vakantiefoto’s uitwisselen enzo.

Liefde voor het vak

‘De mens achter de docent’ laten zien op social media is natuurlijk leuk, maar het zou zoveel interessanter kunnen zijn. Maak er een verdieping van je les van. Geef je geschiedenis? Schiet wekelijks plaatjes, stel er een vraag bij en laat je leerlingen vertellen. Ben je decaan? Geef je leerling een lijstje van interessante mensen en groepen die ze kan volgen op Twitter of LinkedIn. Maak een projectgroep aan op Facebook oid waarbinnen leerlingen het weekthema kunnen bediscussiëren. Zoek of zet handige filmpjes op YouTube en plaatjes op Pinterest die de lesstof verduidelijken. Breng je liefde voor je vak over!

 

Digitale communicatie is altijd meta

Digitale communicatie is altijd meta

Als je aan het twitteren, facebooken, mailen, chatten, whatsappen, kortom met digitale communicatie bezig bent, zit je voortdurend op meta-niveau. Je typt namelijk niet alleen je tekstje, je bent ook gelijk bezig met de vraag hoe het over komt. Want, zoals we in de begintijd van de mail hebben geleerd, het kan nogal eens fout gaan.

Digitale communicatie maakt dat je makkelijk over de schreef gaat, omdat je geacht wordt snel te reageren en je geen signalen van de ander ziet die je zouden kunnen afremmen. Je bent gedwongen kort en bondig te zijn, je kunt geen non-verbale signalen toevoegen en je bericht kan al dan niet bedoeld in de openbaarheid komen. Dus is het handig extra boodschappen mee te geven.

Extra betekenis

Uitmaken via Facebook

Hanna Bervoets had het een tijd geleden over DINOCO: ‘DIgitale NOn-geschreven COmmunicatie: ‘Gedrag rondom het schrijven/sturen van digitale berichten dat een extra betekenis of motivatie verraadt’. Dit zou je dan ook bewust in kunnen zetten.

Bijvoorbeeld: iemand ‘per ongeluk’ een bericht sturen dat voor een ander bedoeld was, zodat de ontvanger ziet wat voor uitstekende relatie jij met die ander hebt.

Nog meer DINOCO-mogelijkheden:

  • Uiteraard het gebruik van smileys, om aan te geven:
    ‘Was maar een grapje!’ of ‘Ik wil dat je dit NU doet maar ben geen bitch hoor’.
  • Gedachtepuntjes gebruiken om uit te drukken:
    ‘Zoiets ongeveer’, ‘Hmm tsja, ik weet het niet hoor’.
  • Woorden in hoofdletters om bijvoorbeeld te zeggen:
    ‘Ik word hier zo boos van!’ Of ‘Dit is echt heel belangrijk!’
  • Spelfouten expres laten staan, waarmee je kunt aangeven:
    ‘Ik ben ook maar een mens’ of ‘Ik ben druk’.
  • Iemand cc-en waarmee je bijvoorbeeld wilt laten weten:
    ‘Dit is menens.’ ’Ik heb echt geen tijd jou een aparte mail/tweet te sturen’.
  • Iets via je mobiel versturen zodat er ‘sent from my iPhone’ bij staat, terwijl het ook via de pc had gekund, omdat je wilt laten zien:
    ‘Ik ben onderweg en heb een interessant leven/geen tijd nu voor jouw vraag’.
  • Juist wel of niet automatisch locaties toevoegen aan je Facebook en Twitter berichten:
    Zie punt hierboven.
  • Je herhaalt de laatste letter (als in: ‘ik heb zo’n zinnn’), waarmee je zegt:
    ‘Ik ben een intens mens’.
  • Als 40-plusser jongerentaal gebruiken als ‘me moeder’ ‘swag’ en kk enzo, om uit te drukken:
    ‘Ik ben hip en op de hoogte en ben niet saai zoals alle andere volwassenen’.

Het probleem blijft echter dat je niet zeker kunt weten of de ontvanger je boodschap ook op die manier interpreteert. Zelfs je beste vrienden niet, dus laat staan collega’s. Met online communicatie kan en moet je dus bewuster en voorzichtiger omgaan dan in real life om misverstanden en escalatie te voorkomen.
Hoe doe je dat?

  • Verstuur geen berichten vanuit emotie. Slaap er een nachtje over of schakel over op offline communicatie.
  • Maak vooral duidelijk HOE je iets bedoelt.
  • Verplaats je in de ander, ook al is het ‘maar’ een moderator.
  • Stel regelmatig online vragen op meta niveau. Dus vraag hoe iemand iets bedoelt in plaats van het aan te nemen.
  • Pak misverstanden gelijk aan, voordat het escaleert en heel Twitter over gaat.
  • Lees je berichtje eerst even na voordat je het verstuurt.
  • Gebruik bij een mail e.d. in ieder geval de eerste keer aanhef en afsluiting, dat is wel zo netjes.
  • Bedenk dat digitale berichten al gauw bot kunnen overkomen. Tenzij je als doel hebt op tenen te trappen, kun je dus maar beter je tekst zo vriendelijk mogelijk inkleden.

Wat zijn jouw DINOCO trucs? Ik hoor ze graag!

Wel of geen vrienden worden op Facebook?

Best ingewikkeld soms, die vriendschappen op Facebook. Want daar zitten niet alleen je ‘echte’ vrienden tussen, maar ook collega’s, vage kennissen en wellicht ook je kinderen.

'Wij zijn twee vrienden'.Je wilt niet iemand voor het hoofd stoten door een vriendschap te ‘weigeren’. Maar je wilt ook niet dat je baas leest wat je in de kroeg doet. Kortom: wat is nou een handige vriendschap strategie op Facebook?

  • Vrienden worden met mensen die je niet goed kent

Niet handig als je geen rekening wilt houden met verschillende gradaties in persoonlijke informatie. Als je je Facebookpagina gebruikt als uithangbord voor je hobby of werk, dan weer wel. Maar dan kun je beter een Facebook businesspage aanmaken. Dan hou je het zakelijk.

  • Vrienden worden met je kinderen

Aan te raden omdat je er met de juiste instellingen alleen niet bent. Je bent op Facebook voortdurend zaken aan het afwegen als juistheid van informatie, je online imago, met wie je wel of geen vrienden wordt. Een beetje begeleiding daarbij kan dus geen kwaad. Nadeel: je overschrijdt daarmee de privacy van je kind (en van jezelf!). In een volgend stadium kun je dan eventueel gebruik gaan maken van ‘vriendenlijsten’. Of elkaar weer ‘ontvrienden’. Overigens vinden niet alle kinderen het leuk om ‘vrienden’ te worden met hun ouders. Volgens de laatste berichten schakelen jongeren mede daarom over op andere platforms. Hierbij wat don’ts voor ouders op Facebook.

  • Vrienden worden met je leerlingen

Goed mits je daar een bepaald doel aan koppelt, en de berichten voor vrienden en familie daarvan gescheiden houdt. Niet goed als je dat niet doet. Zet je studenten, vrienden, familie, enzovoorts dus op aparte ‘vriendenlijsten’ en bedenk bij elke post wie hem mag zien. Of maak een aparte businesspage voor jezelf als leraar, die je dan kunt verbinden aan de algemene pagina van de school.

  • Vrienden worden met je baas/werknemer

Hoe close de relatie ook is, op gelijke voet sta je niet. Je zult dus altijd in je achterhoofd moeten houden dat informatie tegen je gebruikt kan worden. Dat is misschien niet zo relaxed, maar het houd je wel scherp. Want het is sowieso niet handig om spijbel- of ‘ik baal van mijn werk’ berichten in de openbaarheid te gooien. Ook hier zijn de ‘vriendenlijsten’ handig voor.

Hoe denk jij over vriendschappen op Facebook? Ben je wel of juist geen vrienden op Facebook met je kind, student, collega, moeder of baas? Reageer!

Social media: alles is vloeibaar

Op een feestje hoorde ik laatst een vriend zeggen dat hij zich zo vloeibaar voelde, en hij was daar duidelijk blij mee. Nu schreef ik dat vooral toe aan zijn beschonken toestand, maar bij nader inzien is dat inderdaad een fijne gesteldheid om in te verkeren.

Als je vloeibaar bent leg je contact en stroom je weer verder, je pikt wat op en laat het weer los, je blijft ergens een tijdje hangen en gaat door als je weer wordt verder gedreven.

social media: alles is vloeibaarEindeloze stroom

Vanuit dit idee maken social media perfect sense, en speelt het gevecht tegen bijvoorbeeld de tijd, verkorte aandachtsspanne en infobesitas geen rol.

Vooral beginnende en niet-social mediagebruikers vinden de overstelpende hoeveelheid informatie die maar doorstroomt om gek van te worden. Je kunt het niet beheersen, het is teveel om allemaal te bevatten. Zij hebben een andere mindset nodig, die je gaandeweg eigenlijk vanzelf ontwikkelt.

Want nee, je kunt het niet alles van iedereen lezen en onthouden. Zelfs al gebruik je Twitterlists en Evernote of Delicious zoals ik doe om bepaalde dingen niet te missen dan wel te parkeren voor een andere keer.

Selectieve aandacht

En natuurlijk moet je voor jezelf een weg vinden tussen focus en het meanderen tussen de verschillende informatiestromen op je mobiel en/of tablet. Ik ben er echter niet zo bang voor dat de verdieping verloren zal gaan. Je moet het wel eerst geleerd hebben, maar ik denk dat de behoefte aan bijvoorbeeld het hebben van een goed gesprek, het lezen van een mooi boek of het zien van een indringende film, zal blijven bestaan. Verplichte nummers als huiswerk voor school of studie zou in dit idee alleen maar kunnen werken als ze je aandacht trekken en geboeid weten te houden.

Ik denk dat tussen alle informatiestromen door dus het beste boven komt